De begeleider geeft het balletje ongezien (ofwel in het donker, ofwel heeft iedereen de ogen dicht, ofwel is iedereen geblinddoekt) in iemands handen. Deze speler verstopt het bij zich op een plaats waar het makkelijk uitgeschud kan worden. Dit moet allemaal binnen de tien tellen gebeuren, want daarna mag iedereen bij elkaar gaan schudden met ledematen, hoofd, kledingstukken. Er kan natuurlijk ook samengewerkt worden om iemand in zijn geheel te schudden. Dit gaat door tot het balletje op de grond valt. Diegene bij wie het zat mag nu ongezien het balletje aan iemand anders doorgeven.