Het terrein wordt verdeeld in twee vakken. Aan de achterzijde van elk vak staat er een koning van de overstaande ploeg. De ploegen proberen elkaar aan te gooien. Als je de bal niet rechtstreeks kan vangen of de bal de grond niet eerst heeft geraakt, dan ben je er aan. Je moet je dan bij je koning voegen. Wanneer je vanuit de achterzijde iemand van de andere ploeg aan kan gooien, dan mag je terug naar het vak. Het doel is om de hele andere ploeg aan te gooien. Indien het vak van je ploeg leeg is, dan mag de koning met twee helpers terug gaan naar het vak. Wanneer zij ook eraan worden gegooid, dan is het spel gedaan en is deze ploeg verloren.
Variant: Het terrein wordt duidelijk afgebakend en in het midden wordt een eiland gemaakt. De spelers worden in twee ploegen verdeeld (A en B). De A spelers proberen de B spelers eraan te gooien. De getroffen B spelers gaan in het eilandje staan. Zij kunnen enkel verlost worden wanneer een B speler de bal rechtstreeks kan vangen (dan is hij er niet aan) of wanneer de "eilandbewoner" de bal terug bij een ploegmaat kan krijgen, dan pas mag de speler van het eiland komen.